
Voor veel leerlingen is fileparkeren, ook wel parallel parkeren genoemd, het onderdeel waar ze het meest tegenop zien. Je moet je auto achteruit tussen twee andere voertuigen manoeuvreren, met beperkte ruimte en vaak met verkeer dat achter je wacht. Toch is het een vaardigheid die je met een beetje techniek en oefening prima onder de knie krijgt. En juist in een stad als Den Haag, waar parkeerplaatsen schaars zijn en de meeste plekken langs de stoep liggen, heb je er dagelijks profijt van. In dit artikel lopen we de manoeuvre stap voor stap door, inclusief de referentiepunten en de fouten die je het beste kunt vermijden.
Waarom fileparkeren lastiger lijkt dan het is
Het gevoel dat fileparkeren moeilijk is, komt vooral doordat je achteruit rijdt terwijl je auto de andere kant op draait dan je gewend bent. Bij achteruit sturen beweegt de achterkant van de auto namelijk de kant op waar je het stuur naartoe draait, en dat voelt in het begin onnatuurlijk. Zodra je begrijpt hoe de auto reageert, valt het echter reuze mee.
Het belangrijkste inzicht is dat fileparkeren geen kwestie is van geluk of gevoel alleen, maar van een vaste volgorde van stappen. Wie die volgorde kent en steeds op dezelfde manier uitvoert, hoeft niet te gokken. Je bouwt als het ware een routine op die je op elke plek kunt herhalen. Rustig werken is daarbij belangrijker dan snel werken. Neem de tijd, ook al staat er iemand achter je te wachten, want haast leidt bijna altijd tot een mislukte poging.
De juiste plek kiezen
Een goede parkeerbeurt begint met een goede plek. Zoek een gat dat ruim genoeg is: als vuistregel wil je een ruimte die ongeveer anderhalf keer de lengte van je eigen auto is. In een krappe Haagse straat is dat niet altijd luxe, maar begin als leerling met de ruimere plekken en werk je zo op naar de krappere gaten.
Voordat je gaat manoeuvreren, kijk je goed om je heen. Rijden er fietsers of scooters langs de plek waar jij naartoe wilt? Loopt er iemand op de stoep die zo tussen de auto’s door wil? Zet je richtingaanwijzer aan zodra je een plek hebt gevonden, zodat het verkeer achter je weet wat je van plan bent. Zo geef je duidelijkheid en voorkom je dat iemand ongeduldig wil inhalen op het moment dat jij begint te steken.
De manoeuvre stap voor stap
Begin door naast de auto te gaan staan waarachter je wilt parkeren. Houd daarbij ongeveer een halve meter afstand tot dat voertuig en zorg dat de achterkant van jouw auto ongeveer gelijk staat met de achterkant van de auto naast je. Zet de auto in de achteruit en kijk goed achterom voordat je begint te rijden.
Rijd nu langzaam achteruit en draai, zodra de achterkant van jouw auto voorbij de achterbumper van de andere auto komt, het stuur volledig naar de stoep toe. Je auto zwenkt dan met de achterkant het parkeervak in. Blijf rustig rollen en kijk over je schouder naar de rechterachterhoek. Wanneer je auto onder een hoek van ongeveer vijfenveertig graden staat en je in je rechterspiegel de stoeprand of de auto achter je goed kunt inschatten, draai je het stuur terug naar het midden en rijd je nog een klein stukje recht achteruit.
Ten slotte draai je het stuur de andere kant op, weg van de stoep, zodat de voorkant van je auto netjes recht langs de stoeprand komt te liggen. Rijd rustig door tot je auto parallel aan de stoep staat en corrigeer daarna eventueel met een klein stukje vooruit. Het geheim zit in het tempo: hoe langzamer je rijdt, hoe meer tijd je hebt om te sturen en bij te sturen.
Referentiepunten en spiegels gebruiken
Wat fileparkeren voorspelbaar maakt, zijn vaste referentiepunten. Dat zijn herkenningspunten in of aan je auto die je vertellen wanneer je een handeling moet uitvoeren. Denk aan het moment waarop de achterbumper van de auto naast je in je zijraam verschijnt, of het punt waarop de stoeprand een bepaalde plek in je rechterspiegel bereikt. Deze punten verschillen per auto, dus het is belangrijk om ze in te oefenen in de auto waarin je examen doet.
Gebruik tijdens de hele manoeuvre je spiegels én je directe blik. Je linkerspiegel helpt je om te controleren of je niet te ver de weg op steekt en of er geen verkeer aankomt. Je rechterspiegel laat de afstand tot de stoeprand zien. En blijf tussendoor over je schouder kijken, want spiegels hebben altijd een dode hoek. Door steeds dezelfde combinatie van kijken te gebruiken, weet je precies waar je auto zich bevindt, zonder te hoeven raden.
Bijsturen en veelgemaakte fouten
Zit je te ver van de stoep of te schuin? Geen probleem. Een goede bestuurder is niet iemand die het altijd in één keer perfect doet, maar iemand die op tijd merkt dat het niet klopt en netjes bijstuurt. Rijd rustig een stukje vooruit, corrigeer je hoek en probeer het opnieuw. Op het examen wordt bijsturen niet afgekeurd, zolang je het veilig en beheerst doet en goed blijft kijken.
De meest voorkomende fouten zijn te snel rijden, te laat sturen en vergeten om te kijken. Wie te hard achteruit rijdt, heeft geen tijd om op het juiste moment het stuur te draaien en schiet zijn punt voorbij. Wie niet kijkt, ziet de fietser of voetganger niet die op dat moment langskomt. Oefen daarom eerst op een rustige plek, bijvoorbeeld in een woonwijk buiten de spits, voordat je het in een drukke straat probeert. Herhaling is hier alles. Na een stuk of tien geslaagde pogingen merk je dat je lichaam de beweging vanzelf begint te onthouden, en dan wordt fileparkeren van een schrikbeeld ineens een handigheidje dat je met vertrouwen inzet, waar in Den Haag je ook een plekje vindt.